|
|
|
||
| De geschiedenis van de Nederlandse vouwfiets (tot 1964) | ||
|
De vouwfiets in het leger
|
||
|
||
Van november 1896 dateert een octrooi
van Ryan en fietsfabrikant Dwyer uit Danbury (Connecticut) dat een vereenvoudiging van het eerste octrooi betekent en
waar expliciet ook het gebruik voor het leger wordt genoemd. Twee maanden later vroeg Ryan octrooi aan op een derde
vouwfietsconstructie waarbij de vouwbare boven- en onderbuis van het frame als dubbele buis waren uitgevoerd. De Gérard-vouwfiets
|
||
|
||
Lehmkuhl-fiets
|
||
|
||
|
||
|
||
Van Wagtendonk zelf reed vanaf oktober 1899 op een fiets volgens
dit model. Burgers ENR uit Deventer nam hem in productie, vroeg in november 1899 in Engeland, Duitsland en Frankrijk
octrooi hierop aan en toonde de fiets op de RAI-tentoonstelling in maart 1900 voor het eerst aan het publiek. De fiets
was zowel voor het leger als voor particuliere afnemers (mensen met een kleine woning) bedoeld en werd door beide
doelgroepen goed ontvangen. Burgers wees in een in oktober 1900 uitgegeven folder met name op de degelijkheid van het
sluitmechanisme van deze vouwfiets die hem superieur zou maken ten
opzichte van de Gérard-fiets.
|
Over een andere Nederlandse vouwfiets is veel minder bekend: de door Fongers in 1909 ontworpen militaire vouwfiets. We zien daarin het idee van Van Wagtendonk terug om een diamantframe in het midden langs een verticale buis te laten scharnieren. Maar Fongers koos een veel kleinere wielmaat dan gebruikelijk, zoals dat decennia later een voorwaarde voor een makkelijk draagbare vouwfiets zou blijken te zijn. Alleen gebruikte Fongers de zo gewonnen ruimte niet in de eerste plaats om de fiets kleiner en lichter te maken, maar om munitietassen in het frame te kunnen hangen. Daarnaast paste Fongers een omklapbare stuurconstructie toe. Al met al een model dat zijn tijd ver vooruit was. De fiets werd niet door het leger besteld en er zijn maar enkele exemplaren van gemaakt.
|
||
|
||
| Een andere doorontwikkeling van het systeem
Van Wagtendonk door Fongers kwam in 1915 gereed maar werd evenmin verkocht. In diverse bronnen wordt verder nog melding
gemaakt van opvouwbare fietsen van de rijwielfabrieken Simplex en Vierkleur, beide in 1902. Om welke ontwerpen het hierbij
gaat wordt niet vermeld. De Simplex-vouwfiets is toen naast de Van Wagtendonk en de Gérard door het Nederlandse leger getest,
maar officieel is voor zover bekend geen van deze vouwfietsen in het leger ingevoerd. De fase van de vouwfietsconstructies voor het leger was grotendeels na de 1e wereldoorlog afgesloten. Een later ontwerp dat veel bekendheid verwierf is de parachutisten-vouwfiets van BSA die door het Engelse leger tijdens de 2e wereldoorlog is gebruikt.
|
||
De tweede fase van de vouwfietsgeschiedenis
|
||
|
||
| Bij de speciale fietssturen die vanaf begin
jaren '20 werden geconstrueerd zijn twee manieren te onderscheiden: opvouwbare sturen waarbij de stuurhelften naar beneden
omgeklapt dan wel naar binnen gedraaid kunnen worden, en sturen waarbij het stuur dan wel de stuurbocht gemakkelijk
losgekoppeld en een kwart slag gedraaid kan worden. Deze laatste sturen zijn dus eigenlijk niet opvouwbaar maar
dienen hetzelfde doel als de opvouwbare sturen. De opvouwbare sturen waren soms ook vergrendelbaar door een
slot, zodat de fiets daarmee ook tegen diefstal te beveiligen was. Een potentieel gevaar van al deze sturen was dat ze onder het rijden zouden kunnen omklappen. Een bijzondere uitdaging voor de uitvinder was verder de geschiktheid van een vouw- of draaiconstructie voor remsturen. Dat dat niet altijd lukte wordt duidelijk geïllustreerd door de hier weergegeven afbeelding uit een reclamefolder voor het Pomco-stuur van uitvinder Lambertus Pomp uit Meppel (1929). Fabrikant Wapenaar uit Rijswijk zette voor de folder een Pomco-stuur op een Simplex-fiets met remstangen en illustreerde op de foto daardoor onbedoeld het grote nadeel van deze stuurconstructie.
|
||
|
||
Als toepassingen en voordelen noemt de
Pomco-folder behalve het makkelijk stallen in huis, ook de betere verzendbaarheid van de fiets per spoor of tram en dat een
fiets met gedraaid stuur steviger tegen een muur geparkeerd kan worden.
Een geavanceerdere constructie is het opvouwbare rijwielstuur uit 1923 van Klaas de Vries, de directeur van de Utrechtse slotenfabrikant Hopmi. Ook het octrooi van Gazelle voor een stuur met draaibare verbinding tussen stuurpen en binnenbalhoofdbuis werd in 1923 aangevraagd. Verder was er in de jaren '30 nog het verstelbare stuur van de Utrechtse Metaalwarenfabriek Oudenrijn (UMO). Van de overige, hier niet genoemde stuurconstructies is niet bekend of ze daadwerkelijk geproduceerd zijn. Uitvindingen
uit de jaren '30 en '40
|
||
|
||
|
Overigens valt op dat veruit de meeste bedenkers van opvouwbare sturen en
fietsen uit de jaren '20 en '30 uit de randstad kwamen. Niet verwonderlijk als men bedenkt dat daar ook het ruimtegebrek
binnenshuis het grootst geweest zal zijn. Uit de grote steden kwamen ook drie bedenksels die wel duidelijk afweken van het
standaard herenframe met twee scharnieren en die derhalve interessant zijn om te bespreken.
|
|
|||||
|
Ook uit 1934 stamt de vouwfiets van ir. Jacoba Stempels-van der Kloet en
Anna Veldkamp, twee vrouwen uit resp. Rijswijk en Den Haag. Deze fiets was een handige combinatie van twee bestaande
buitenlandse vindingen. De basis was een gewone herenfiets die door naar beneden klappen van de bovenbuis kon worden veranderd
in een damesfiets. Dit idee was overgenomen van een Frans octrooi uit 1911. Daarnaast kon de fiets via een dubbel kogelgewricht
in de schuine onderbuis volgens een Duits octrooi van 1916 ook opgevouwen worden. Het voordeel hierbij was dat door de
losneembaarheid van de bovenbuis met een gewricht alleen in de schuine onderbuis kon worden volstaan. Over een daadwerkelijke
productie van deze fiets is niets bekend.
|
|||||
|
|||||
Bender bedacht twee uitvoeringsvormen hiervan, een met een gewoon herenframe en grote wielen als basis, en een frame met lage instap en kleine wielen. Beide voorbeelden kwamen erop neer dat na losnemen van een koppelstuk voor- en achterwiel bij het vouwen naast elkaar kwamen te liggen, terwijl de framebuizen door een schaarbeweging rond het trapasstuk een compact en goed hanteerbaar pakket van min of meer evenwijdig lopende framedelen gingen vormen. De Bender-vouwfiets was op het moment van haar verschijnen de meest ingenieuze Nederlandse vouwfietsconstructie tot dan toe. Met name de versie met kleine wielen oogt bovendien zeer modern, al had Bender de basisvorm van dit frame overgenomen van een Franse uitvinding van 1924.
|
|||||
|
|||||
| De vouwfiets gaat in de auto De jaren '50 luidden een nieuwe fase in voor de vouwfiets. Na zestig jaar van een bestaan in de marge kwam nu eindelijk een toepassing voor vouwfietsen in zicht, die dit type fiets tot een vast bestanddeel van het aanbod voor het fietsende publiek zou maken: de meeneembare fiets voor de automobilist. De sterke groei van het Nederlandse wagenpark in de jaren '50 en '60 maakte het mogelijk. Met een vouw- of deelfiets in de kofferbak kon de automobilist gemakkelijk komen waar hij met zijn auto niet verder wilde of kon. Hij kon enerzijds de natuur in door de auto ergens buiten de stad te parkeren en op zijn vouwfiets te stappen, en anderzijds kon hij dankzij de vouwfiets juist de binnensteden met hun steeds drukkere straten en schaarsere parkeermogelijkheden goed bereiken. Het idee om bij een autorit een fiets mee te nemen om desgewensd gemakkelijk te kunnen overstappen was er al in 1908. Het Utrechts Nieuwsblad meldde in dat jaar op 10 augustus dat prins Hendrik een opvouwbare fiets bij Burgers had besteld (ongetwijfeld een Van Wagtendonk), om hem in een foedraal bovenop zijn auto mee te nemen "zoodat onverhoopt bij ongelukken of defecten aan de auto, toch een snel vervoermiddel bij de hand is om, zoo noodig, hulp te halen." In 1938 had Simplex volgens een eigen persbericht uit 1964 ook al een opvouwbare "autofiets" uitgebracht, maar een bevestiging voor deze bewering kon niet gevonden worden. Prins Hendrik's idee zou dus pas veel later op grotere schaal navolging krijgen. In Japan werden al vroeg in de jaren '50 vouwfietsen geproduceerd. Een markt hiervoor werd ondermeer in de Verenigde Staten gezien. Maar de rechtstreekse voorbeeldfunctie voor de Nederlandse fietsfabrikanten vervulde Duitsland. In het vakblad De Nederlandse Rijwielhandel werd vanaf midden jaren '50 herhaaldelijk op de opkomende vraag naar vouwfietsen gewezen en keken de redacteuren bij hun Duitse collega's van het vakblad "Radmarkt" over de schouder mee. Op 28 juni 1957 schreef De Nederlandse Rijwielhandel: "Wij weten heel goed, dat het vervaardigen van speciale rijwielen [bedoeld worden vouwfietsen] een ingrijpende aanpassing van het industriële apparaat vergt en dus ook belangrijke investeringen vereist. Evenzeer zijn wij er van doordrongen, dat men voor buitenissige modellen een markt moet scheppen, waarvoor weer veel kostbare reclame nodig is. Toch menen wij, dat er in deze richting iets gedaan moet worden als er enig vooruitzicht op succes bestaat. Deze kans is hier niet uitgesloten." Een jaar later, op 2 mei 1958, wordt de toon nog wat stelliger: "Sedert wij in ons blad van 14 maart j.l. een geïllustreerd artikel plaatsten over Japanse opvouwbare fietsen voor automobilisten - bron: Radmarkt - zijn in dit blad diverse publikaties verschenen over soortgelijke voertuigen, die in West-Duitsland worden gemaakt. Wij krijgen wel sterk de indruk, dat onze oostelijke buren niet van plan zijn het terrein - zoals wij mededeelden bestaat er o.a. grote belangstelling voor de opvouwbare fiets in Amerika, 's werelds grootste en meest koopkrachtige afzetgebied - aan de Japannezen alleen over te laten. Hoe staat onze Nederlandse industrie hier nu tegenover? Wacht men op Japan, Duitsland en straks wellicht Frankrijk? Wij weten het niet. Wij weten wel, dat er nog geen markt voor opvouwbare fietsen is, maar een behoefte eraan bestaat zeker! ... Waar mogen wij het eerste Nederlandse opvouwbare rijwiel eens komen proberen? Wanneer kunnen onze Nederlandse handelsattaché's ermede de grote haringvijver oversteken? Wij zijn benieuwd." De redactie zou nog een aantal jaren moeten blijven wachten.
Hoe was de situatie in Duitsland? De
voor zover bekend eerste uitneembare Duitse fiets die na de oorlog in productie ging werd door Meister (Bielefeld)
gebouwd en ook onder de merknaam Phänomen aangeboden. De fiets was een bedenksel uit 1951 van een particuliere uitvinder
en werd vanaf 1953 onder de veelzeggende naam "Auto-Rad" aangeboden. Maar met zijn 28"-wielen was hij
eigenlijk nog niet voor in de kofferbak geschikt. Kamp en de Auto-Cycle
|
|||||
|
|||||
Hoe reageerden de Nederlandse fietsfabrikanten? Voor deze vraag moeten we
even terug naar 1956. Op 5 september van dat jaar maakte de Leeuwarder Courant melding van een dokter Landeweer uit Havelte
in Drenthe die een niet nader beschreven opvouwbare fiets had aangeschaft, die hij achter in z'n auto kon meenemen om zijn aan
onberijdbare heidepaadjes wonende patiënten te kunnen opzoeken. Na een bericht in een plaatselijke krant werd Landeweer
overstelpt met vragen van belangstellende collega's.
Na de publiciteit over de Panther "Auto-Cycle" van Kamp bedacht men zich bij Simplex. Op 15 april 1959 vroeg Simplex als eerste Nederlandse fietsfabrikant na de oorlog octrooi aan voor een deelfiets waarvan de basis overeenkomsten met de Panther Auto-Cycle vertoonde. Alleen was de deelconstructie van het frame volledig anders. De Simplex-deelfiets moest op twee punten losgemaakt worden om hem te kunnen delen: boven de trapas en bij de zadelklembout. Het bleef voorlopig bij de octrooi-aanvraag. Pas vijf jaar later presenteerde Simplex op de RAI-tentoonstelling een prototype van deze deelfiets. De Nederlandse rijwielindustrie was eind jaren '50 druk in de weer met het veroveren van marktaandeel voor de eigen sportfietscollectie, met steeds weer nieuwe bromfietsmodellen en niet in de laatste plaats met de noodzaak tot verlaging van de productiekosten. Misschien was dat wel de reden dat de vouwfiets zo lang veronachtzaamd werd. Als er iets gebeurde, dan gebeurde het hooguit achter de schermen. Union Strano
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Tweewieler-RAI 1964
Met deze laatste opmerking doelde Oudejans natuurlijk op de Union Strano, die ook op de RAI geëxposeerd werd, waar bovendien op een aparte stand onder de noemer "curiosa" inderdaad een collectie museumfietsen stond. Oudejans zag de meer gedurfde ontwerpen duidelijk niet zitten en zou wat de Strano betreft later gelijk krijgen: het werd geen succes. Eén positief punt zag Oudejans in de Strano: "Het enige voordeel is dat een van die praktische grapjes met 135 gulden de helft in prijs is van de rest. Want goedkoop is dit soort fietsen allerminst." Dat klopte, met tussen 250 en 300 gulden zaten de overige Nederlandse vouw- en deelfietsen aan de bovenkant van wat gewone fietsen in die tijd kostten.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De RAI-organisatie had besloten om het nieuwe fenomeen vouw- en deelfiets in het zonnetje te zetten. Op stand 58 waren alle 21 modellen (met laatkomer Magneet als 22e) bij elkaar gebracht zodat het publiek deze kon bekijken, vergelijken en vooral uitproberen. Geholpen door R.J. Rouwenhorst en H. Valk die de stand bemanden, konden de bezoekers met een vouwfiets de speciale proefbaan op. Bovendien was op de stand een DAF neergezet en kon men daarmee het opvouwen en opbergen van de vouwfietsen in de kofferbak uitproberen. Al met al waren er op de RAI zeven Nederlandse fabrieken die in totaal acht eigen constructies en een buitenlandse voorstelden. Daarnaast waren er nog drie Nederlandse importeurs met ieder een model, en tien buitenlandse modellen die nog geen importeur gevonden hadden. Bij elkaar opgeteld waren er dus 22 modellen op de RAI te zien, waarvan acht Nederlandse, acht Duitse, drie Franse en een Brits, een Italiaans en een Japans model. Opvallend is de sterke vertegenwoordiging van de Duitse modellen – een teken dat Duitsland op dit gebied een voortrekkersrol had, temeer omdat een deel van de Nederlandse modellen nog maar in het stadium van prototype verkeerde. Toch zou geen van de buitenlandse modellen een noemenswaardige afzet in Nederland vinden. De onderstaande tabel biedt een overzicht van de modellen op stand 58.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Als eerste vouwfiets van Nederlandse makelij werd al een aantal weken voor de RAI-tentoonstelling de Gazelle Kwikstep aan
de pers voorgesteld. De fiets was volgens Gazelle-directeur Breukink ontwikkeld naar aanleiding van een aanvraag van de
Tilburgse zakenman J. Tuerlings van twee jaar eerder. Ook Pon had zijn deelfiets al begin februari klaar voordat de
RAI begon en gaf hem de naam Burgers ENR Sport Compact, maar veranderde de naam gauw in Autobike, vermoedelijk vanwege de
komst van de Compact van Phoenix-Fongers-Germaan. Overigens leek de Autobike erg veel op de Franse Gitane
"Plicyclette", die ook op de RAI stond. |
||||||
|
||||||
| Van de door hem bedachte "Klapfiets"
bouwde Smink ongetwijfeld maar een klein aantal. Het was een eenvoudige fiets met 24" wielen, een enkelbuisframe met
scharnier en een zeer schuin geplaatste zitbuis. Daardoor werd de wielbasis erg kort – eigenlijk
te kort om niet in een bocht met de voet tegen het voorspatbord te stoten. Staande en liggende achtervork liepen in elkaar over.
Om de fiets dubbel te vouwen moest eenvoudig een vleugelmoer losgedraaid worden. In samengevouwen toestand kon de fiets zonder
een standaard blijven staan. Smink was van plan om deze fiets op stand 58 op de RAI-tentoonstelling te presenteren. Union had
toen voor hetzelfde doel de Strano, maar geen echte eigen vouw- of deelfiets. Zo werden Smink en Union het vlak voor begin van
de RAI eens dat de Klapfiets op naam van Union op de tentoonstelling verscheen. Union paste de achtervorkconstructie en de hoek
van de zitbuis aan en voorzag het vouwscharnier van een spansluiting, en op de tweede beursdag was de Klapfiets met
Union-belettering gereed. Union gaf hem de modelnaam "Arizona" mee. Na de RAI verdween deze vouwfiets bij Union een tijd lang
in de la om een of twee jaar later alsnog een tijdje in productie te gaan. Ook Simplex verscheen met twee modellen op de speciale vouwfietsenstand. De eerste was een deelfiets volgens het eigen octrooi van 1959. Daarnaast toonde Simplex een opvouwbare fiets met een gewone herensportfiets als basis. De schuine onderbuis kon door middel van een schroefmof worden gedeeld en in de bovenbuis zat een vouwbare dubbele kruiskoppeling, terwijl bovendien de beide helften van het stuur naar beneden konden worden geklapt.
|
||||||
|
||||||
| Tenslotte wilde van de Nederlandse fabrikanten
ook Magneet niet achterblijven. Om nog een model op de RAI te kunnen presenteren maakte Magneet gebruik van de goede contacten
naar Frankrijk: Er werd – pas tijdens de RAI – een fraai, deelbaar herenframe van de Franse fietsenbouwer René Herse voorzien
van Magneet-belettering op de beursstand geplaatst. Het zou te ver gaan om ook de buitenlandse modellen hier te bespreken. Maar één moet worden genoemd: de Silk "Porta Cycle" van Katakura Industries in Tokio. Met zijn kleine wielen, compact gelast frame en spansluiting oogt deze vouwfiets zó modern dat hij net zo goed een bedenksel van 30 jaar later zou kunnen zijn.
|
||||||
|
||||||
Verder eiste men uiterste eenvoud bij het vouwen of demonteren en een zo gewoon mogelijk aanzien van de vouwfietsmodellen. De twee exemplaren van de Union Strano hadden in het speciale proefbaantje bij de RAI-stand weliswaar geen rustig ogenblik – zelfs diverse Tweede Kamerleden lieten zich de kans niet ontgaan om deze aparte fiets eens te testen. Maar de meeste bezoekers wilden er liever niet mee in het openbaar gezien worden. Al met al veel belangstelling maar aarzelende kopers, en wie er wel zo'n fiets wilde kopen kwam vaak alsnog bedrogen uit: een deel van de Nederlandse modellen was nog niet in productie, zodat men maanden moest wachten, en sommige werden door de fabrikant zelfs nooit in productie genomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor beide ontwerpen van Simplex. Voor vier Nederlandse modellen betekende de RAI-tentoonstelling van 1964 wel de stoot die tot serieproductie leidde, hoewel ze uiteindelijk niet allemaal even goed verkochten: de Gazelle Kwikstep, de Burgers Autobike, Phoenix-Fongers-Germaan Compact en de Batavus Portable. Na de opgetogen beurspresentatie van 1964 zakte de animo voor vouw- en deelfietsen onder de aanbieders weer terug. Er was in korte tijd veel ontwikkeld, nu moest eerst eens blijken of dat ook door meer omzet terugverdiend kon worden. Zo verscheen in 1965 geen nieuw model in Nederland. Wat vond fietsgroothandelaar Kamp uit Den Haag hiervan, die al in 1958 een deelfiets had aangeboden die ook in 1964 nog te modern was voor de Nederlandse markt? De Panther Autocycle voerde Kamp niet meer, hij was met de import gestopt toen de Panther-fabriek in 1963 verkocht en verhuisd was. Maar het geloof in de grote toekomst van de vouwfiets was bij Kamp ongebroken. Hij had Gazelle benaderd en werd uiteindelijk een vervent promoter en verkoper van de Kwikstep. Kamp voorzag in 1965 een verveelvoudiging van de vouwfietsverkoop. En inderdaad: vanaf 1966 verdween de schroom bij de Nederlandse consument en werden vouw- en minifietsen met kleine wielen in allerlei uitvoeringen geconstrueerd en verkocht. Samenvatting
|
||||||
|
||||||
Copyright by
Herbert Kuner, © 2009 ...
All rights reserved.
Last update: 28-1-2009