|
![]() ![]() |
||
| Twee Utrechtse fietsenmakers | ||
Nederland telt tegenwoordig zo'n 2.000 fietsenmakerijen, evenveel als 90 tot 100 jaar geleden. Maar als we naar het gemiddelde aantal inwoners kijken dat door één fietsenmaker wordt bediend, moeten we terug naar het einde van de 19e eeuw om aan hetzelfde aantal te komen als nu. Dat was ook weleens anders. In de jaren vlak voor de oorlog waren er naar schatting zo'n 12.000 fietsenmakers in ons land, waarvan rond de 200 in Utrecht. Waar in de stad je ook woonde, er was toen overal een fietsenmaker vlakbij, en natuurlijk ook een bakker, een kruidenier enzovoort. Twee van deze fietsenmakers waren Ad Oostveen en Wim de Groot, inmiddels allebei al lang gepensioneerd. Zoals de meeste rijwielhandels waren hun winkels kleinschalig, zonder extra personeel. Hoe werd je toen fietsenmaker, wat hield het werk in en wat maakte je als fietsenmaker in de jaren '30 en daarna allemaal mee? Oostveen en De Groot weten er nog veel over te vertellen.
|
||
Toen Oostveen in 1935 net 17 jaar was geworden, stond hij voor de vraag welk beroep hij moest kiezen. Automonteur te worden leek hem wel wat, en zo kwam hij via kennissen bij het garagebedrijf van Boerrigter uit. De firma Boerrigter op de Amsterdamsestraatweg, opgericht in 1905, werd na het vroege overlijden van de oprichter opgesplitst in twee bedrijven en gerund door twee zonen van Boerrigter: Toon had een garagebedrijf en zijn broer Henk had aan de overkant een rijwielhandel met vijf mensen in loondienst. Het was daarmee een van de grootste rijwielzaken van Utrecht, agent van Germaan en Simplex, en daarnaast verkocht men fietsen onder het eigen merk Simplon. Toen Oostveen bij het garagebedrijf wilde beginnen was daar op dat moment weinig werk, zodat hij voorlopig in de rijwielzaak als volontair begon, maar al gauw kreeg hij toch betaald: zijn aanvankelijke loon was welgeteld 1 gulden per week bij een 45-urige werkweek. Uiteindelijk zou hij het fietsenmakerswerk tot aan zijn pensionering blijven doen, maar niet bij Boerrigter. Want toen per 1 december 1937 een winkelpand aan de Adriaan van Ostadelaan vrij kwam dat zijn ouders hadden verhuurd, kreeg Oostveen de kans om daar een eigen rijwielhandel op te zetten. Als grossier werd Van Aalten in Zeist bereid gevonden om te leveren, nadat hij de zaak eerst was komen bekijken. Voor de eerste levering waarmee Oostveen zijn winkel van voorraad voorzag was hij 500 gulden verschuldigd. De eerste maandhuur van 27,50 gulden hoefde Oostveen nog niet te betalen, en de eerste fietsen kwamen van Burgers in Deventer: zes stuks met een betalingstermijn van drie maanden. Was het dan niet moeilijk om het Burgers-agentschap te krijgen? Oostveen: "Nee, ze informeerden alleen van tevoren bij winkeliers in de buurt of de familie Oostveen wel kredietwaardig was." Zo kon de zaak met een startkapitaal van 500 gulden geopend worden. Oostveen herinnert zich: "Mijn eerste klant was een bakker met zijn transportfiets. Hij zei: 'Mijn licht doet het niet, kun je het even maken?' Ik zei: 'Ja, maar ik ben eigenlijk nog niet open. Ik zal eens kijken.' Het lampje was kapot, ik heb er een nieuw lampje in gedraaid voor een kwartje. Dat was mijn eerste handel."
|
||
|
||
| Oostveen verkocht in het eerste jaar
misschien zo'n 20 fietsen, hoofdzakelijk Burgers. Als goedkoop alternatief verkocht hij Renal-fietsen van grossier
Van Aalten (naar de naam van diens zoon: Renier van Aalten). Een eigen merk voerde hij niet. Na ongeveer een jaar werd
Oostveen ook Juncker-dealer, wat zonder problemen ging. Een aanvraag bij Gazelle werd echter met een nette brief
beantwoord dat Utrecht al voorzien was van het beoogde aantal Gazelle-agenten. Welke papieren waren in 1937 nodig om een eigen zaak te kunnen beginnen? Tot 1937 geen. Iedereen kon een winkel beginnen, en door de grote werkloosheid in de jaren '30 werd daar ook veelvuldig gebruik van gemaakt. Zo groeide het aantal kleine winkels sterk, terwijl de levensvatbaarheid ervan vaak te wensen overliet en de bestaande winkels last hadden van deze wildgroei. Daarom werd in 1937 de Vestigingswet Kleinbedrijf in het leven geroepen waarin van beginnende winkeliers een middenstandsdiploma (handelskennis) werd geëist, en later ook een vakdiploma en een zekere kredietwaardigheid. Oostveen kon nog net zonder papieren beginnen, maar haalde later alsnog het middenstandsdiploma.
|
||
|
||
| Wim de Groot sr. kon goed etalages inrichten
en was er soms avondenlang mee bezig. Bij de jaarlijkse etalagewedstrijd van de winkeliersvereniging in
de wijk Lombok won hij
vaak prijzen. Over de hierboven getoonde etalagefoto van 1935 vertelt De Groot (jr.): "Er was een prijsvraag aan verbonden.
Mensen moesten raden voor hoeveel gulden er in totaal aan waar in de etalage stond. Er stonden prijsbordjes bij, alleen niet
bij de kogeldoosjes. Een kogel kostte 1 cent, maar je moest wel weten hoeveel kogels erin zaten."
|
||
|
||
Meer
omzet Fietsenmaker tijdens de oorlog
|
Copyright by
Herbert Kuner, © 2006 ...
All rights reserved.
Last update: 20-01-2006