|
| Van toer- naar sportfiets | ||
| Decennia
lang was er bij de aankoop van een fiets voor alledag één ding bij voorbaat duidelijk:
het basismodel. Een heer kocht een fiets met gewoon diamantframe, voor een dame werd het
een met damesbocht (een omafiets dus), en de wielmaat was in alle gevallen 28 x
1 1/2, of in moderne termen: 635 mm (= velgdiameter). Een ander model kon je
best exotisch noemen. De
omslag
|
||
|
||
| De keerzijde Bij de betrouwbaarheid van deze gegevens is echter een kanttekening te plaatsen: de aantallen uit de fietsendatabank komen niet helemaal overeen met de productiecijfers zoals het CBS deze voor de Nederlandse rijwielindustrie aangeeft. In de tweede grafiek worden de totalen van beide bronnen kwalitatief met elkaar vergeleken. Daarbij is voor de cijfers uit de fietsendatabank -anders dan in de bovenstaande grafiek- een correctie voor de uitval van ca. 2 % van de fietsen per jaar inbegrepen. De CBS-cijfers zijn proportioneel omgerekend naar het veel lagere niveau van de aantallen uit de fietsendatabank. Met andere woorden: de grafiek geeft geen absolute aantallen weer maar laat alleen de verhoudingen tussen de cijfers uit de twee bronnen zien.
|
||
| Tot
1953 lopen beide curven aardig gelijk. Dan gaat het echter mis, met name wat betreft de
dip in de tweede helft van de jaren vijftig en de sterke toename in de vroege jaren
zestig. Daarmee is ook onduidelijk, of het verhaal klopt dat de sportfietsen de branche
uit een dal hebben getrokken. Immers, de CBS-cijfers kennen geen duidelijke daling in de
fietsverkopen in de periode 1946 - 1965. Voor deze afwijking zijn principieel drie verklaringen mogelijk: - de gegevens uit de fietsendatabank kloppen niet omdat bij het registreren van fietsen systematische fouten zijn gemaakt; - de CBS-cijfers kloppen niet, b.v. omdat misschien fabrikanten tegenover het CBS om tactische redenen niet altijd juiste opgaven hebben gemaakt; - de aantallen overgebleven fietsen (uit de fietsendatabank) zijn door systematische factoren niet te vergelijken met productiecijfers (dit is bijvoorbeeld het geval als de gemiddelde kwaliteit van de fietsen uit bepaalde jaren slechter was dan anders, waardoor er relatief veel fietsen uit die tijd zouden zijn weggegooid). Welke van deze verklaringen juist is durf ik niet te zeggen, maar ik vermoed dat alle drie voor een deel van toepassing zijn.
|
||
| Samengevat De vergelijking tussen de cijfers uit genoemde twee bronnen maakt duidelijk dat de gegevens met enige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. Met name de terugloop van de fietsproductie na 1956 zoals uit de databank afgeleid, is wel heel sterk en daarmee niet zeer geloofwaardig. Maar ook de CBS-cijfers zullen door de jaren heen waarschijnlijk niet altijd consistent zijn. Desondanks mag gesteld worden dat de sportfietsen in de tweede helft van de jaren vijftig de aloude toerfiets hebben overvleugeld. Behalve met de verbeterde kwaliteit van de openbare wegen heeft dit zeker ook te maken met een veranderde status en gebruik van de fiets in het kader van de opkomende motorisering. In dit verband werkt ook een blik op het aandeel van heren- en damesfietsen verhelderend. Uit de fietsendatabank blijkt dat 54 % van de overgebleven toerfietsen uit de periode 1946 - 1970 damesmodellen zijn en 46 % herenfietsen. Bij de sportfietsen hebben de dames echter een aandeel van liefst 72 %. De meerderheid van de heren zat dus toen op een grote fiets - of nog liever op iets met een motor.
|
||
Copyright by
Herbert Kuner, © 1999 ...
All rights reserved.
Last update: 14-12-99